EVALUATIE
De basis van onze evaluaties zijn de ingeschaalde competenties. Wij geven feedback op de algemene competenties en op de vakspecifieke competenties en houden daarbij rekening met en het .
ALGEMENE COMPETENTIES
WE SPELEN, VERTELLEN, SPREKEN EN CREËREN
1.MET ERNST EN TOEWIJDING
(concentratie, klasafspraken, afwerken, voorbereiden, zorg voor materiaal, tekst leren ...)
2. MET SPELPLEZIER EN SPELOVERGAVE
( energie, inleving, verwondering, durven, zelfvertrouwen, naturel zoeken ...)
3. ONTVANKELIJK EN RESPECTVOL NAAR ANDEREN
(samenwerking, luisterattitude, brede maatschappelijke en persoonlijke belangstelling ...)
4. MET TOENEMEND ARTISTIEK INZICHT
( positief- kritische blik, feedback geven en ontvangen, frisheid en intensiteit ...)
VAKSPECIFIEKE COMPETENTIES
BEWEGING, LICHAAMSEXPRESSIE EN RUIMTE
(Basishouding – mimiek – ruimte – tijd – kracht- stroom – vorm – afwerking – samenhang; Expressie – (basis)emoties – schakelen – contrasten en variaties; Samenspel – inspelen op impulsen – afstand/nabijheid – ruimte – fysiek contact ...)
STEMGEBRUIK, UITSPRAAK, ZEGGING (stemplaatsing – stemhygiëne- resonantie- projectie- steminzet- geaarde houding – ademritme ademhaling- articulatie – uitspraak klinkers – uitspraak tweeklanken - uitspraak medeklinkers – uitspraakregels; Intonatie – accenten – patronen – tempo - volume – gevoelswaarde klank – subtekst – energie – kleur- schakelen -– emotie – tempo – volume – sfeer – stiltes/ pauzes – spanningsbogen...)
ENSCENERING
(Ruimtegebruik – decor – opstelling – attributen – kostuums – grime - klank – beeld – dans- muziek ...)
SPELKWALITEITEN
(de noodzaak- het hier en nu- verwondering en nieuwsgierigheid- durven - doseren - innerlijke logica - (zintuiglijke) alertheid - vertrouwen op intuïtie- reageren op impulsen- de waarde van de klank- gevoelswaarde van woorden - basisemoties en hun nuances- schakelen (sfeer, emotie, tijd, tempo …)- spanningsboog - timen- intenties- afwerken- subtekst - spelen met herhaling- spelen met verwachtingspatronen- status - spanning vasthouden - spanning opbouwen - structureren van scenes.verhaal- fysiek contact - bespelen ruimte- samenhang creëren - oogcontact - spreekrichting - inspelen op publiek ...)
CREATIE (concept bedenken en uitwerken - creatie ontwikkelen - overtuigen van publiek - structuur - spanning-wekkende middelen - taalgebruik - overtuigingsmiddelen - gesprekstechnieken ...)
INNERLIJKE VOORSTELLING
(eigen ervaringen, inzichten, herinneringen - zintuiglijke verbeelding- fantasiebeelden - narratieve verbeelding - muzikale verbeelding- beeldend vermogen - intuïtie - analyse van de thematiek - exploratie van dromen/onderbewustzijn ...)
GEVARIEERD REPERTOIRE (epiek- lyriek- dramatiek- didactiek + opbouw en gebruik begrippenkader voor analyse )

